Bram (Abraham) Hamel

Hilversum, 4 februari 1926   –   Sobibor, 1943 – 17 jaar

De naam Hamel is een bekende naam onder oudere Hilversummers, die zich ongetwijfeld de   Gooische Metaalhandel I. Hamel & Zonen nog herinneren.

I. (roepnaam Ies) Hamel Jzn, de oudste broer van Bram, was een van de drie neven die een bedrijf leidde onder de Hamel-vlag. Hij was directeur van de fabriek voor huishoudelijke artikelen G. Bredemeijer aan de Oude Torenstraat in Hilversum, later opgevolgd door zijn zoon Martin Hamel, die het bedrijf verhuisde naar het Hilversumse Havenkwartier.

Ook de familie Hamel maakte deel uit van de circa 2500 Joodse Hilversummers die in de dertiger jaren in Hilversum woonden. Vele van hen werden tijdens de oorlogsjaren weggevoerd. Slechts een 200-tal kwam terug. 

Jacob Hamel en zijn vrouw Fenny Hamel-de Vries hadden drie zonen, Ies, Flip en Bram én een dochter, Evalien (Eef).   

Het gezin wist in eerste instantie onder te duiken om deportatie te voorkomen, eerst kort in Amsterdam en daarna in de buurt van Doorn. Door N.S.B.-verraad werden vader Jacob en de zonen Bram en Flip met zijn vrouw Linie door de Duitsers opgepakt en in Sobibor de dood in gejaagd.

Moeder Fenny met haar zoon Ies hebben via de Hilversumse kapper Appie Huisman bij de familie Van Munster in ’s-Graveland een nieuw onderduikadres kunnen vinden. Dochter Eef met haar man Flip Krant een ander onderduikadres in Bussum. De familie Van Munster was een temperamentvol en menslievend gezin met veel gevoel voor rechtvaardigheid, waar de deur openstond voor wie in nood was, in en ook na de oorlog. In het boek ‘De tweeling’, van kleindochter Tessa de Loo, staat deze familie Van Munster model voor de Nederlandse kant van het verhaal.

I. Hamel Jzn, broer van Bram, woonde na de oorlog op de Groest 81 en schrijft in 1948 aan de rector van het Nieuwe Lyceum het volgende:

In Uw schrijven van 20 dezer vraagt U mij een korte levensschets van mijn Broer, Abraham Hamel, te willen geven.

Ik kan in deze alleen maar kort zijn, want zijn leven moest bijna nog beginnen. Hij is geboren op 4 Februari 1926 te Hilversum en was dus bij het begin van de oorlog 14 jaar. Het was een vrolijke jongen, die zich, evenmin als wij allemaal, bewust was van de verschrikkingen, die zouden komen.

Na ruim een half jaar ondergedoken te zijn in Doorn is hij daar, als gevolg van verraad, door de Duitsers weggehaald, met een andere Broer van mij en diens Vrouw; dit was juni 1943.

Kort daarna zijn zij via Westerbork naar Sobibor vervoerd. Dit was een z.g. vernietigingskamp ver in Polen. Nimmer hebben wij meer iets van hen vernomen. Aangenomen moet worden, dat zij direct na aankomst in dat kamp zijn vergast.

Van uw uitnodiging om op 14 Februari a.s. aanwezig te zijn bij de onthulling van de gedenksteen zullen mijn Zuster, E. Krant – Hamel en ondergetekende gaarne gebruik maken.